Tijdschrift voor landschapsonderzoek

2025-1 Boek

François Julien. (2024). Landschap (be)leven. Wat de rede niet kan vatten. Noordboek, 224 pagina’s, € 27,90. ISBN 978 94 6471 1981.

Landschap (be)leven: inzichten uit de Chinese filosofie

Het is heel gebruikelijk, ook in veel artikelen in Landschap, om onderscheid te maken tussen het landschap en de mensen die het landschap gebruiken en beleven. François Julien, een Franse hoogleraar in de filosofie, beschrijft in zijn boek Landschap (be)leven een andere manier van denken over het landschap. Een denken dat ook gevolgen heeft voor het leven in het landschap. Hiervoor gaat hij uit van de klassieke Chinese filosofie. Juliens boek is onlangs vertaald, maar is al in 2014 in het Frans gepubliceerd.

Het begrip landschap – Julien gebruikt het Franse woord paysage – is nog niet zo oud. Het is in de Middeleeuwen ontstaan onder invloed van met name de Vlaamse schilderkunst. Julien beschrijft drie kenmerkende aspecten van het begrip landschap: het is een uitsnede uit een groter geheel, het gaat om visuele waarneming, en het gaat uit van de scheiding tussen subject (mens) en object (landschap). Hij vraagt zich af of deze manier van ‘landschapsdenken’ ons niet heel erg beperkt in de manier waarop wij het landschap beleven en gebruiken. Het klassieke Chinese denken over landschap is heel anders. Neem alleen al Chinese woorden voor landschap: shān shui of shān chuān. Shān shui betekent letterlijk berg – water en shān chuān berg – rivier. Beide woorden voor landschap combineren twee tegengestelde begrippen die samen een geheel vormen. Dit is volgens Julien kenmerkend voor het Chinese denken.

Het verenigen van meerdere aspecten komt ook terug in de wijze van kijken naar het landschap. In de westerse schilderkunst is in de vijftiende eeuw het perspectief uitgevonden: typerend voor een manier van kijken die uitgaat van een toeschouwer die zijn blik richt op een object. De Chinese schilderkunst daarentegen combineert verschillende soorten perspectieven, namelijk het opkijken, het diep in de verte kijken en de wijde blik naar de omgeving. Uitgaande van het combineren van perspectieven geeft Julien een nieuwe definitie van landschap: “er is landschap als het perceptieve tegelijkertijd affectief is”, waarmee hij wil aangeven dat landschap ontstaat als de lichamelijke aanwezigheid in het fysieke landschap samenvalt met het vermogen om diepgeraakt te kunnen worden.

Deze vorm van landschapsdenken gaat verder dan alleen maar een andere beleving van onze fysieke omgeving. Het omvat ook een manier van leven vanuit een meer oorspronkelijke betrokkenheid met de wereld. Deze maakt het mogelijk om te ontsnappen aan een machinale omgang met de wereld of aan een te simpele roep om het verleden te verabsoluteren. Het landschap nodigt uit en leidt tot een houding die van groot belang is in een tijd met zijn spanning tussen het lokale, met de verleiding om zich daarin terug te trekken, en het mondiale, met de verleiding om de wereld uitsluitend te zien als geopolitieke verhoudingen.

Het boek past in de stroming van mensen die het strikte onderscheid tussen mens en natuur willen slechten en daarvoor teruggrijpen op niet-westerse tradities. Vaak zijn dat oppervlakkige liefdesverklaringen aan een slecht begrepen traditie, maar dat kun je van Juliens boek niet zeggen. Hij gaat diep in op vele aspecten van de Chinese filosofie die hij als alternatief opvoert en blijft daarin niet hangen, maar denkt erop door. Het boek is veel rijker dan de onderwerpen die ik hierboven noemde. Zijn pleidooi voor ‘landschap leven’ is zeker inspirerend. Toch roept het de vraag op of het Chinese landschapsdenken in China uitmondt in een andere praktijk van omgaan met het landschap: leidt het tot minder milieuverontreiniging of minder biodiversiteitsverlies? Afgezien van deze vraag naar de verhouding tussen theorie en praktijk, is het boek van Julien waardevol en inspirerend.

WIM DE HAAS